Menu

Zo makkelijk trek je nuttige dieren naar jouw tuin (deel 1)

biodiversiteit

Biodiversiteit! Dat is wat we nodig hebben om (nuttige) dieren te lokken. Leuk, maar wat betekent dat in de praktijk? Is biodiversiteit een doel op zich? Of is het iets wat we in kunnen zetten om in een grotere ambitie te voorzien?

Doorgeefluiken

Om bovengenoemde vragen te beantwoorden hebben we eerst een beetje theorie nodig (sorry, daar hou ik van). Een voorbeeld van biodiversiteit als ‘doel op zich’ is bijvoorbeeld het voorkomen van zeldzame plant- en diersoorten. Zo moet ik altijd denken aan de blauwgraslanden, waarover ik op school moest leren. Dit habitattype is erg zeldzaam en het dankt zijn naam aan de blauwe zegge, die de graslanden letterlijk blauw kleurt. Voor dit habitat zijn hele specifieke omstandigheden nodig en daarmee is blauwgrasland de enige plaats waar blauwe zegge groeit, naast nog een paar andere van die zeer kieskeurige soorten. En niet alleen voor die plantensoorten is dit type habitat belangrijk: ook een aantal soorten zeldzame vlinders, paddenstoelen en zweefvliegen zijn ervan afhankelijk. Wat gebeurt er als het verdwijnt? Dan kunnen we natuurlijk niet meer genieten van dat bijzondere blauw, maar verder? Het “probleem” is dat de natuur continue verandert. Dat kan niet anders, want zo is het altijd geweest. Zo is een gebied nog grasland, zo is het een bos. Of het is een bos en er woedt een storm die honderden bomen velt, weg bos. Voor een organisme is het daarom van levensbelang om zich steeds weer naar nieuwe gebieden te verspreiden. Doet het dat niet, dan zal de soort niet overleven. Verspreiden is dus noodzakelijk, maar hoe komt een organisme dan van het ene gebied naar het andere, als ze gescheiden zijn door een kloof van stadsbouw? Dat is waarbij ons groen onze omgeving kan helpen. Want dat groen werkt als doorgeefluik. Een vogel kan onderweg stoppen om wat te snacken en te slapen en vliegt dan weer verder. Of er gaan meerdere generaties overheen: een lieveheersbeestje vestigt zich in een nieuw stukje groen, leeft daar en krijgt daar nakomelingen en díe verspreiden zich weer naar volgende stukjes groen. Een simpele paardenbloem tussen de tegels kan vele passerende insecten voeden. Ik heb het hier voor het gemak vooral even over diersoorten, maar die paardenbloem kan zich via dat plekje natuurlijk ook weer verder verspreiden. En het is niet alleen van belang voor het voortbestaan van de soort die zich verplaatst, ook het gebied als gemeenschap heeft er baat bij. Er zijn al verschillende projecten van natuurorganisaties opgezet, om doorgeefluiken voor bepaalde soorten van het ene gebied naar het andere te maken, omdat ze merkten dat het ontbreken van die soorten een domino-effect had.

Kort door de bocht gezegd: diversiteit genereert diversiteit. Hoe meer divers ons groen is, hoe meer soorten organismen we kunnen aantrekken. Nu kunnen we natuurlijk niet alle soorten helpen met ons stadse groen (zoals die blauwe zegge), maar alle beetjes helpen en hoe meer variatie, hoe meer soorten er gebruik van kunnen maken. Dus onderschat de waarde van zelfs dat kleine beetje extra groen niet.

No man is an island” (John Donne)

Buiten de waarde voor onze omgeving om, wat is voor óns het nut van biodiversiteit? Nou, eigenlijk hetzelfde als wat ik hierboven beschreef. Want je kunt ‘jouw’ stukje groen niet zien als een eiland, los van zijn omgeving. Je kunt nog zo graag eekhoorntjes op bezoek willen krijgen, maar als ze niet in de buurt voorkomen, dan kun je lang wachten. Zo zal een tuin te midden van een zee van stenen er langer over doen om lieveheersbeestjes te trekken en misschien nooit een grote groep verzamelen. Juist omdat er (bijna) geen doorgeefluik bestaat. Aan de andere kant (en nu pak ik even mijn eigen tuin als voorbeeld erbij): als de omgeving ge-wel-dig is voor taxuskevers, dan kun je nog zo veel planten aanplanten die ze niet lusten, zodra je iets neerzet wat ze (enigszins) lekker vinden, dan zal je met ze te maken krijgen. Daarom is het zaak om roofdieren te trekken. Maar de taxuskevers zijn daarop aangepast en zullen zich verdedigen. En daarom geldt grofweg, dat hoe meer soorten roofdieren je trekt, hoe moeilijker dat verdedigen voor die taxuskever wordt. Kunnen wij zonder dat soort ‘nuttige’ beestjes? We zouden misschien alles zelf kunnen doen: mest maken, bemesten, bestuiven, insecticiden maken en gebruiken… Maar moeten we dat willen? Want het lijkt erop dat we wereldwijd niet genoeg energie en grondstoffen hebben om dat voor elkaar te krijgen. Kort gezegd, dus: nee, we kunnen niet zonder al die beestjes. En door ze, met zo veel mogelijk mensen en met geschikt groen daar waar mogelijk, die doorgeefluiken te geven, dragen we dus bij aan de zelfregulerende capaciteit van ons eigen stukje groen, alsook aan die van onze omgeving.

Hoe kunnen we deze kennis inzetten?

Technisch gezien trek je altijd organismen, ongeacht wat je plant. Maar zonder er moeite voor te doen, zijn dat al snel vooral de soorten die wat minder welkom zijn, zoals slakken, bladluizen en taxuskevers (en de organismen die we minder duidelijk zien, zoals aaltjes en schadelijke schimmels). Je hoeft er niet eens iets voor te planten, want bijvoorbeeld ook tegeltuinen trekken dieren, die daardoor weer sneller tot last kunnen worden (zoals mieren). Als we echter ieder stukje groen gaan bekijken als potentieel doorgeefluik, dan kunnen we het beter inzetten om zowel meer ‘nuttige’ dieren onze kant op te trekken, als aan meer soorten dieren een pitstop te bieden. Diversiteit, dus. En daar worden we allemaal beter van.

Hoe je dat gebruikt in de praktijk? Daarop ga ik in deel 2 in.

Iris Veltman

Leave a Comment

Translate »